opgave 1Opgave 1 Valbuis
In het hiernaast afgedrukte kranteknipsel is een gedeelte weergegeven van een artikel over het
uitvoeren van experimenten in gewichtloze toestand. Lees eerst dit artikel.
13p→ Bereken Geleerdende afstand experimenteren waarover de capsule metvrij valt. gewichtloosheid
Bezoekers van de campus van de Universiteit van Bremen hoeven niet
lang te zoeken naar het Centrum voor Toegepaste
Ruimtevaarttechnologie en Microzwaartekracht. Het is namelijk voorzien
van een hoog raketachtig bouwsel. Bij nadere beschouwing blijkt het
geen ruimtevaartinstrument te zijn, maar een valtoren voor onderzoek
naar gewichtloosheid, een natuurkundig specialisme dat in Duitsland vele
beoefenaren kent.
Over het grootste deel van de betonnen toren bevindt zich een buis
waarin men aluminium capsules, met daarin experimenten, vrij kan laten
vallen. Tijdens de vrije val verdwijnen in de capsule de krachten en de
druk die voorwerpen als gevolg van de zwaartekracht gewoonlijk op

elkaar uitoefenen. Er heerst gewichtloosheid, al is het maar even. Na enkele seconden ploft de capsule met een eindsnelheid van 170 kilometer per uur in het afremvat, dat gevuld is met plastic schuimkorreltjes. In het vat komt de capsule tot stilstand, waarbij de vertraging oploopt tot 30 maal de aardse valversnelling. Om een werkelijk vrije val mogelijk te maken, wordt de valbuis (en daarmee ook het afremvat) vacuüm gezogen. Achttien pompen brengen de druk in de ruimte van 1700 m3 in 1,5 uur terug van de buitenluchtdruk tot 1,0 Pa. In een capsule die door een dergelijk vacuüm valt, heerst werkelijk microzwaartekracht (één miljoenste van wat we op aarde gewend zijn).
In de capsule bevindt zich een voorwerp met een massa van 1,75 kg.
24p→ Bereken hoe groot de normaalkracht op dit voorwerp maximaal is tijdens het afremmen van de
capsule in het afremvat.
We nemen aan dat de drukverlaging, die de pompen per seconde bewerkstelligen, evenredig is met de
druk in de valbuis. Er geldt dan voor de druk in de valbuis een formule, die analoog is met de formule
voor het aantal radioactieve kernen tijdens het verval. De halveringstijd is nu de tijd waarin de druk
met 50% is verminderd. De buitenluchtdruk is 101 kPa.
33p→ Bereken deze halveringstijd.
De pompen leveren onder andere de energie die de weggepompte lucht nodig heeft om uitwendige
arbeid op de omgeving (de omringende lucht) te verrichten. Deze hoeveelheid energie is 15% van de
totale energie die de pompen opnemen.
45p→ Bereken het gemiddelde opgenomen vermogen van één pomp tijdens het leegpompen van de valbuis.
opgave 2Opgave 2 Drijfgas
52pVoor het in een dun laagje aanbrengen van stoffen zoals verf,
deodorant en haarlak kan men gebruik maken van
spuitbussen. We beschouwen een type spuitbus waarin zich
vloeibare haarlak en een drijf‑"gas" bevinden. Het drijf‑"gas"
is een vloeistof met daarboven verzadigde damp. Vóór het
gebruik wordt de spuitbus geschud, waarbij de vloeibare
haarlak en het vloeibare drijf‑"gas" worden gemengd. Het
ventiel van de spuitbus is verbonden met een slangetje dat
onder in de bus eindigt. Zie figuur 1.
Bij het indrukken van het ventiel wordt het mengsel door een
klein gaatje naar buiten geperst. Hierdoor ontstaat een nevel,
waarin de vloeibare component van het drijfgas snel
verdampt. Zo wordt de haarlak verstoven.
→ Aan welke eis moet de verzadigingsdruk van een drijfgas
voldoen?
Tot voor kort werd als drijfgas veelvuldig gebruik gemaakt van chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's).
Deze CFK's tasten echter de ozonlaag in de atmosfeer aan en worden daarom niet meer voor dit doel
gebruikt. Een vervanger, die dit bezwaar niet heeft, is dimethylether (DME).
In een halfvolle spuitbus met als drijfgas DME heerst bij ‑25 °C een druk van 1,03 ⋅ 105 Pa en bij
20 °C een druk van 4,12 ⋅ 105 Pa. Neem aan dat deze drukken uitsluitend door DME‑damp worden
veroorzaakt.
62p→ Schets op de bijlage de grafiek van de druk van DME‑damp boven het vloeistofmengsel als functie
van de temperatuur voor het interval [‑25 °C; 20 °C].
72p→ Geef de twee argumenten die samen de vorm van deze grafiek verklaren.
In een nieuwe spuitbus zit 190 ml vloeistof. Het volume van de bus is 200 ml. Door het gebruik neemt
de hoeveelheid vloeistof in de bus af. Men gebruikt de bus tot er niets meer uit het ventiel komt. We
nemen eerst aan dat de temperatuur in de bus steeds 20 °C is. De buitenluchtdruk is 1,00 ⋅ 105 Pa.
84p→ Teken in het diagram op de bijlage hoe druk en volume van de DME‑damp boven het
vloeistofmengsel in de bus, gedurende de totale gebruiksduur, van elkaar afhangen.
Als je enige tijd ononderbroken spuit, daalt de temperatuur van de spuitbus.
95p→ Geef de eerste hoofdwet van de warmteleer en leg uit welke termen positief, negatief danwel nul zijn
bij dit spuiten.
Een nog milieuvriendelijker drijfgas dan DME zou samengeperste lucht kunnen zijn. De te verstuiven
stof moet dan eerst gemengd worden met een vluchtig oplosmiddel.
102p→ Leg uit waarom samengeperste lucht als drijfgas minder geschikt is.
Bijlagen:
opgave 3Opgave 3 Water geven
Katja verzorgt altijd de planten in de grote plantenbak in de woonkamer. Zij wil een systeem
ontwerpen om de planten automatisch van water te kunnen voorzien. Er moet water worden
toegevoegd als de aarde droog is, tenzij de zon op de planten schijnt. Hiervoor zijn twee sensoren
nodig: een vochtsensor en een LDR als lichtsensor. Verder is een kraan beschikbaar, die door middel
van een elektromagneet open en dicht gedaan kan worden.
In figuur 2 staat een eerste aanzet van een blokschema van een dergelijk geautomatiseerd systeem.
Deze figuur is op de bijlage vergroot weergegeven.
113p→ Maak op de bijlage het blokschema van dit systeem af. Teken daartoe in deze figuur alle signaallijnen
en zet de juiste tekst in de blokken.
De karakteristiek van de LDR staat in de grafiek van figuur 3 getekend.
122p→ Leg uit waardoor de weerstand van een LDR kleiner wordt als de verlichtingssterkte toeneemt.
Het onderdeel van de schakeling waarin deze LDR is opgenomen, staat in figuur 4 getekend.
De LDR wordt bij de planten geplaatst. Om er zeker van te zijn dat niet tijdens zonneschijn water
wordt gegeven, wordt de comparator zo ingesteld dat zowel bij direct zonlicht als bij daglicht de
uitgang van de comparator "laag" is. In deze opgave is "laag" = 0 V en "hoog" = 5 V.
133p→ Bepaal op welke waarde de spanning van spanningsbron B2 moet worden ingesteld opdat de
comparator omslaat bij de overgang van daglicht naar schemer.
Na langdurig gebruik zal batterij B1 een lagere bronspanning krijgen. Wellicht werkt het systeem dan
niet meer naar behoren.
143p→ Leg uit of hierdoor de planten bij daglicht water kunnen krijgen.
De vochtsensor geeft bij droogte "laag" af en bij vocht "hoog". Katja sluit deze sensor op de ene en de
uitgang van de comparator op de andere ingang van een EN‑poort aan. Als de uitgang van de
EN‑poort "hoog" is, moet de hiermee verbonden waterkraan opengaan.
In de praktijk blijkt deze in figuur 5 getekende schakeling niet te werken zoals bedoeld is.
Om na te gaan of dit wordt veroorzaakt door een fout in de schakeling danwel door een defecte kraan,
wil zij door middel van een drukschakelaar
kunnen openen en sluiten. Slechts bij ingedrukte schakelaar moet de kraan open zijn. Om de
drukschakelaar op de schakeling te kunnen aansluiten, moet een extra poort (EN‑ of OF‑poort)
worden toegevoegd. Op de bijlage staat figuur 5 weergegeven, waarbij deze extra poort ook is
ingetekend.
153p→ Vermeld in deze figuur op de bijlage de naam van deze poort en teken de drukschakelaar met
aansluitdraden er zodanig bij in, dat de genoemde controle uitgevoerd kan worden.
Als Katja in de avondschemering de drukschakelaar heeft gebruikt om water te geven, blijkt de kraan
door te blijven lopen als zij de schakelaar los heeft gelaten. Na enig gepuzzel komt zij er achter waar
de fout zit: er moet nog één logische poort in de schakeling worden opgenomen.
In figuur 6 staat de schakeling van figuur 5 nogmaals getekend, waarbij op vier plaatsen, genummerd
1, 2, 3 en 4, de verbindingsdraden kunnen worden onderbroken. De schakelaar en de extra poort van
vraag 15 {de vorige vraag} spelen hierbij geen rol.
163p→ Leg uit op welke plaats welke logische poort toegevoegd moet worden, zodanig dat wèl een goede
werking wordt verkregen.
Bijlagen:
opgave 4Opgave 4 Atomen en fotonen
Wanneer een foton van licht met een golflengte van 589,6 nm op een stilstaand natriumatoom in de
grondtoestand valt, wordt dit foton geabsorbeerd. Het natriumatoom komt hierdoor in de eerste
aangeslagen toestand.
173p→ Bereken de energie van dit foton.
Doordat het Na-atoom (2311 Na) de impuls van het foton overneemt, krijgt het een snelheid van
0,0294 m ⋅ s‑1 .
184p→ Bereken de impuls van een foton van licht met een golflengte van 589,6 nm.
Een klein deel van de energie van het foton is dus nodig om het atoom kinetische energie te geven.
Dit betekent dat het energieverschil U2,1 tussen de eerste aangeslagen toestand en de grondtoestand
van het Na-atoom niet precies gelijk is aan de energie van het geabsorbeerde foton Uf .
193p→ Bereken Uf ‑ U2,1 .
Als een Na‑atoom tegen een lichtbundel in beweegt, kan het door het absorberen van fotonen worden
afgeremd. Door het dopplereffect is de frequentie van het licht in de bundel voor bewegende atomen
anders dan voor stilstaande atomen. Door een golflengte te gebruiken die iets afwijkt van 589,6 nm,
zorgt men ervoor dat alleen de atomen die tegen de bundel in bewegen, fotonen absorberen. Atomen
die met de bundel meebewegen, absorberen deze fotonen niet.
203p→ Leg uit of men de golflengte van de lichtbundel die gebruikt wordt voor het afremmen van de atomen
moet instellen op iets meer danwel op iets minder dan 589,6 nm.
In figuur 7 is een foto weergegeven van een opstelling waarin Na‑atomen door herhaalde absorptie
van fotonen worden afgeremd tot ze vrijwel stilstaan.
De atomen komen met een snelheid van 9,6 ⋅ 102 m ⋅ s‑1 uit de opening van een oven links op de foto.
Van hier uit bewegen ze langs een rechte baan tot ze bij punt X vrijwel stilstaan. De Na‑atomen
vormen daarna een dichte wolk rondom X; deze is rechts op de foto te zien. De afstand tussen de
opening van de oven en punt X bedraagt 46 cm.
214p→ Bereken de gemiddelde vertraging van de atomen tijdens het afremmen.
De foto is gemaakt met een camera met een lens met brandpuntsafstand van 50 mm. De afbeelding in
figuur 7 is 5,0 maal vergroot ten opzichte van de afbeelding op het negatief.
225p→ Bepaal de afstand tussen de baan van de atomen en de cameralens.
opgave 5Opgave 5 Onweer
233pIn de omgeving van een onweerswolk heerst een grote
elektrische veldsterkte in de atmosfeer. Dit is een gevolg
van de grote ladingen in de wolk. Ook op het aardoppervlak
onder de wolk is lading aanwezig. Het elektrische veld in
de atmosfeer buiten de wolk is op te vatten als het
elektrische veld dat ontstaat ten gevolge van vier
puntladingen die als volgt op één verticale lijn liggen (zie
figuur 8):
→ een lading van +40 C in A op 8,0 km hoogte;
→ een lading van ‑40 C in B op 2,0 km hoogte;
→ een lading van +40 C in B' op 2,0 km onder het
aardoppervlak;
→ een lading van ‑40 C in A' op 8,0 km diepte.
Op de grond bevindt zich een punt P, op 4,0 km afstand van
de verticale lijn door de ladingen.
→ Bereken de grootte van de elektrische veldsterkte in punt P
uitsluitend ten gevolge van de lading in B.
Een deel van figuur 8 is vergroot weergegeven op de
bijlage.
244p→ Construeer in de figuur op de bijlage de resulterende elektrische veldsterkte in P ten gevolge van alle
ladingen samen. Geef daarbij de veldsterkte uit de vorige vraag aan met een pijl van 4,0 cm lengte en
de veldsterkte ten gevolge van de lading in A met een pijl van 1,0 cm.
In figuur 9 zijn de vlakken van gelijke potentiaal onder de onweerswolk in de omgeving van een toren
weergegeven.
252p→ Hoe blijkt uit figuur 9 dat de veldsterkte vlak boven de toren het grootst is?
De kans op blikseminslag is op de toren groter dan elders. Daarom richt een onderzoeker een
bliksemcamera op de toren. De bliksemcamera bestaat uit twee camera's naast elkaar. De lenzen staan
open. In de ene camera staat de film stil. In de andere camera loopt een film in de aangegeven richting
rond met een snelheid van 1000 m ⋅ s‑1 . Zie het bovenaanzicht in figuur 10.
In figuur 10 zijn de voorkant en de achterkant van de film gemarkeerd met respectievelijk "voor" en
"achter".
Op een bepaald moment slaat een bliksemontlading vanuit de toren naar de wolk. Op beide films
wordt de bliksem afgebeeld. De vergroting bedraagt 4,0 ⋅ 10‑4 .
De films worden over elkaar gelegd. Het resultaat is in figuur 11 afgebeeld op ware grootte.
De afbeelding in figuur 11 stelt de films voor, zoals ze gezien worden als men de achterkant van de
films het dichtst bij het oog houdt.
Het beeld van de toren op de bewegende film is niet weergegeven in figuur 11.
264p→ Bepaal de voortplantingssnelheid van de bliksemontlading.
273p→ Leg uit of afbeelding 1 van de bliksem links in figuur 11 behoort bij de bewegende danwel bij de
stilstaande film.
283pDe maximale stroomsterkte in de bliksemontlading kan worden
gemeten met behulp van een strookje magnetiseerbaar materiaal.
Dit strookje legt de maximale waarde vast van het magnetische
veld waaraan het strookje is blootgesteld. Het strookje beslaat
het stukje AB van een cirkelboog rond de bliksemafleider. Zie
figuur 12.
→ Leg uit of uiteinde A een noordpool danwel een zuidpool is
geworden.
Bijlage:
Einde