opgave 11. Smelten en stollen van lood
In een ringvormige koperen goot bevindt zich vast lood,
gelijkmatig verdeeld over de goot. Er wordt van een punt K van
de goot een stroom van 20 A naar het punt L gestuurd dat er
diametraal tegenover ligt. De stroom loopt via twee takken
van K naar L.
Zie figuur 1.1.
aHet potentiaalverschil tussen K en L is 1,0 mV.
1. Bereken de weerstand van één tak.
De goot kan worden gebruikt als secundaire spoel
van een transformator. Zie figuur 1.2. Er loopt
dan stroom door de goot op een andere wijze dan
in figuur 1.1 getekend is. Neem aan dat de
temperatuur van de goot met inhoud dezelfde is
als bij de hierboven beschreven proef.
a2. Bereken de weerstand van de goot met inhoud bij gebruik als secundaire spoel van een transformator.
Een transformator heeft een primaire spoel met 500 windingen. Deze spoel is via een schakelaar S op
een wisselspanningsbron met Veff = 220 V aangesloten. S is open. De koperen goot met lood wordt als
secundaire spoel gebruikt. Zie figuur 1.2.
Men kan een berekening maken van het elektrische vermogen dat in de goot met inhoud omgezet zal
worden als S gesloten is. Hierbij wordt verondersteld dat de transformator ideaal is en dat de goot met
inhoud dezelfde weerstand heeft als bij vraag a.2 {de vorige vraag} berekend is.
bVoer deze berekening uit.
Het elektrische vermogen dat werkelijk in de secundaire spoel wordt omgezet gaat men experimenteel
bepalen uit de temperatuurstijging van de goot. Op t = 0 wordt de schakelaar S gesloten. Van tijd tot
tijd wordt de temperatuur van de goot met inhoud gemeten. Zie figuur 1.3.
De koperen goot heeft een massa van 0,14 kg. Er zit 0,38 kg lood in de goot.
c .1. Bepaal met behulp van de figuur op de bijlage de temperatuurstijging per seconde van de goot met
inhoud onmiddellijk na t = 0.
c .2. Bereken het in de secundaire spoel in de vorm van warmte ontwikkelde vermogen onmiddellijk na
t = 0.
Door de toevoer van energie stijgt het lood in temperatuur, smelt, en stijgt verder in temperatuur. Op
t = 4,3 minuut opent men S. Vanaf dit moment daalt de temperatuur van de goot met inhoud. Zoals uit
figuur 1.3 blijkt, blijft de temperatuur bij het stollen constant, hoewel de goot met inhoud warmte aan
de omgeving blijft afstaan.
Het volume van het lood wordt kleiner bij het stollen.
dSchrijf de eerste hoofdwet van de warmteleer op. Leg met behulp van deze wet uit dat bij het stollen
van lood warmte vrijkomt.
Het door de goot met inhoud afgestane vermogen is tijdens het stollen even groot als vlak voor en
vlak na het stollen. De temperatuurdaling vlak voor en vlak na het stollen is 2,5 °C ⋅ s‑1 . Bij een
temperatuur rond het stolpunt geldt dat de goot met inhoud 1,1 ⋅ 102 J afstaat per graad
temperatuurdaling.
eBepaal met behulp van figuur 1.3 hoeveel warmte er bij het stollen van het lood vrijkomt.
Bijlage:
opgave 22. Bepaling van de windsnelheid met een ballon
aMen vult een leeg ballonnetje met 0,86 mol waterstofgas. De ballon wordt daardoor
bolvormig met een straal van 0,16 m.
De temperatuur van het waterstofgas in de ballon is 10 °C.
Deze temperatuur verandert niet bij alle hierna volgende experimenten.
Bereken de druk van het waterstofgas in de ballon.
Men bevestigt de ballon aan een veerbalans. De omringende lucht oefent op de ballon
een verticaal omhooggerichte kracht uit die opwaartse kracht wordt genoemd. Hierdoor
wordt de veer van de veerbalans uitgerekt. Zie figuur 2.1.
Als de ballon in rust is, oefent de veerbalans een kracht van 0,15 N uit op de ballon.
De massa van de ballon met inhoud is 6,5 g.
Men laat de ballon buiten los. Het is windstil.
Eerst beweegt de ballon versneld omhoog. Tijdens de beweging ondervindt de ballon
wrijving van de lucht. Voor deze wrijvingskracht FW geldt de formule:
FW = c ⋅ R2 ⋅ v2
Hierin is: R de straal van de ballon
v de snelheid van de ballon
c een evenredigheidsfactor
De straal van de ballon, de opwaartse kracht op de ballon, de zwaartekracht op de ballon en de
evenredigheidsfactor c veranderen tijdens de proeven zo weinig dat men ze constant mag
veronderstellen.
bBereken de versnelling van de ballon onmiddellijk na het loslaten.
cLeg uit dat de versnelling van de ballon vervolgens afneemt en na enige tijd nul wordt.
De constante snelheid die de ballon krijgt, blijkt 2,2 m ⋅ s‑1 te zijn.
dBereken de evenredigheidsfactor c uit de formule; vermeld de eenheid van c in grondeenheden van
het SI.
eOp een dag dat er wel wind staat, wordt een identieke ballon
op t = 0 buiten losgelaten om de windsnelheid op verschillende
hoogtes te bepalen. Al na korte - in de berekeningen te
verwaarlozen tijd verwijdert de ballon zich met een constante
snelheid van 2,2 m ⋅ s‑1 van het aardoppervlak. Ondertussen
verplaatst de ballon zich nu ook ten gevolge van de wind, die
aldoor uit dezelfde richting waait. Neem aan dat de horizontale
component van de snelheid van de ballon voortdurend gelijk is
aan de windsnelheid.
Op een aantal tijdstippen bepaalt men de hoek j met de horizon waaronder
men de losgelaten ballon ziet. Zie figuur 2.2. De meetresultaten zijn in de tabel
weergegeven.
Teken in de figuur op het antwoordpapier de baan die de ballon beschrijft.
Bepaal daartoe eerst op drie tijdstippen de positie van de ballon.
Een ander gedeelte van de baan die de ballon volgt, is in figuur 2.3 getekend. Aangenomen is dat de
ballon ook bij het doorlopen van dit gedeelte van zijn baan een constante verticale snelheid van
2,2 m ⋅ s‑1 heeft.
fLeg met behulp van figuur 2.3 uit of de windsnelheid met toenemende hoogte groter wordt of kleiner
wordt.
gBepaal met behulp van figuur 2.3 de windsnelheid op een hoogte van 300 m.
Bijlage:
opgave 33. Rutherford-verstrooiing
Omstreeks 1910 deden Rutherford en medewerkers proeven waarbij dunne blaadjes goudfolie werden
beschoten met α ‑deeltjes. Deze proeven hebben geleid tot een beter inzicht in de bouw van het atoom.
Bij een herhaling van deze proeven wordt gebruik gemaakt van α -straling afkomstig van de
radioactieve isotoop 222 Rn.
a1. Schrijf de reactievergelijking voor het verval van 222 Rn op.
a2. Bereken in twee significante cijfers de totale hoeveelheid energie, die vrijkomt bij dit verval van
222 Rn.
De α ‑deeltjes dringen bij de proef door het goudfolie, waarbij sommige deeltjes van richting
veranderen. Het folie is zeer dun; daarom mag men aannemen, dat een α -deeltje slechts in de buurt
van één van de goudkernen in het folie wezenlijk van richting verandert.
De baan van zo'n deeltje in de buurt van die goudkern is te berekenen met behulp van een model.
In dit model neemt de goudkern een vaste plaats in het kristalrooster van het folie in en verplaatst zich
niet als gevolg van de nadering van een α ‑deeltje; de invloed van de elektronen rond deze goudkern
op de beweging van een α ‑deeltje is te verwaarlozen.
In figuur 3.1 is de baan van zo'n α ‑deeltje getekend. De goudkern bevindt zich in de oorsprong van
het coördinatenstelsel. Men veronderstelt dus, dat het α ‑deeltje beweegt in het veld van een positieve
puntlading. De potentiaal van dit elektrische veld is als funktie van de afstand r tot het midden van de
goudkern weergegeven in figuur 3.2. Deze figuur is vergroot weergegeven op de bijlage.
bBepaal met behulp van de figuur op het antwoordpapier de grootte van de elektrische kracht op een
α ‑deeltje, dat de oorsprong is genaderd tot een afstand r = 5,5 ⋅ 10‑14 m.
Van de energie, die vrijkomt bij het verval van 222 Rn, krijgt het α ‑deeltje 5,49 MeV in de vorm van
kinetische energie. Het α ‑deeltje, waarvan de baan is getekend in figuur 3.1, bevindt zich in het punt P
het dichtst bij de goudkern.
c1. Bepaal met behulp van figuur 3.1 en figuur 3.2 de elektrische energie van het α ‑deeltje in het punt P.
c2. Bereken de snelheid van dat α ‑deeltje in het punt P.
Niet alle α ‑deeltjes naderen op dezelfde wijze een kern. Daardoor is de hoek Θ (zie figuur 3.1 )
waarover zij worden afgebogen niet voor alle α -deeltjes even groot.
Via de berekening van hun banen met het model kan worden voorspeld welk gedeelte van de
opvallende α ‑deeltjes over een bepaalde hoek Θ zal worden afgebogen. Het blijkt dat veel minder
α ‑deeltjes over grote hoeken zullen worden afgebogen dan over kleine hoeken.
dVerklaar het feit dat zo weinig deeltjes zullen worden afgebogen over grote hoeken.
De resultaten van de proeven stemmen overeen met de berekeningen op grond van het beschreven
model, zolang de energie van de α ‑deeltjes niet te groot is. Als men echter α -deeltjes met zeer hoge
kinetische energie gebruikt, is de uitkomst van de proeven niet in overeenstemming met de
berekeningen voor grote waarden van de afbuigingshoek Θ . Dit is te verwachten, omdat in het model
alleen rekening wordt gehouden met de elektrische krachten, die een α ‑deeltje in een goudatoom
ondervindt.
eLeg uit dat het model voor zeer snelle α ‑deeltjes onjuiste resultaten geeft voor grote waarden van de
afbuigingshoek Θ .
Bijlage:
opgave 44. Een tralie
Men tekent op een vel papier een groot aantal even dikke lijnen op een onderlinge afstand van
1,0 mm. Men fotografeert de tekening met een kleinbeeldcamera om naderhand het negatief als tralie
te gebruiken. De lens van deze camera heeft een brandpuntsafstand van 55 mm.
aBereken hoe ver men het vel tekenpapier van de lens van de camera moet opstellen om een 22 maal
verkleind beeld op de film te krijgen.
Het aldus gemaakte tralie wil men met behulp van een laser in zijn geheel gelijkmatig belichten
waarbij het licht loodrecht op het tralie invalt. Daartoe moet de diameter van de laserbundel worden
vergroot.
Men maakt voor het verbreden van de evenwijdige laserbundel gebruik van een negatieve en een
positieve lens, die op enige afstand van elkaar in de bundel worden geplaatst. De hoofdassen van
beide lenzen vallen samen met het midden van de laserbundel. Zie figuur 4.1. In deze figuur is de
schaal in verticale richting anders dan die in horizontale richting. Deze figuur is op het
antwoordpapier vergroot weergegeven.
b1. Schets in de figuur op het antwoordpapier het verdere verloop van de getekende lichtstralen.
Geef in de tekening voor elke lens de beide hoofdbrandpunten aan.
De laserbundel heeft zonder de lenzen een diameter van 1,6 mm. Na het verlaten van de lenzen is de
diameter 8,0 mm geworden. De negatieve lens heeft een brandpuntsafstand van -25 mm.
b2. Bereken of bepaal de afstand van de optische middelpunten van de beide lenzen.
Deze opstelling van laser en lenzen blijft tijdens de proeven ongewijzigd. Het tralie wordt in de
verbrede laserbundel geplaatst. Vlak achter dit tralie is een positieve lens geplaatst met in het
brandvlak van deze lens een scherm. De afstand van lens tot scherm is 4,33 m. Het scherm staat
evenwijdig aan het tralie. Zie voor een schematische tekening figuur 4.2.
Het patroon van lichte lijnen en donkere gebieden, dat op het scherm ontstaat, is overgetekend in
figuur 4.3. In de tekening is de verticale schaal uitgerekt: in werkelijkheid zijn de verticale lijntjes
veel korter. De intensiteit is niet voor alle lijnen gelijk; sommige lijnen ontbreken zelfs in het patroon.
De afstand x , aangegeven in deze tekening komt overeen met de afstand tot de as van de opstelling.
cToon met behulp van figuur 4.3 aan dat de golflengte van het laserlicht 6,3 ⋅ 10‑7 m is.
Vervolgens dekt men het tralie zo af dat er nog maar licht door één spleet kan vallen. Op het scherm
ontstaat dan een patroon van lichte en donkere gebieden waarvan de intensiteitsverdeling in figuur 4.4
is weergegeven.
dBepaal met behulp van figuur 4.4 de breedte van zo'n spleet van het tralie.
Hierna dekt men het tralie zo af dat er alleen licht op twee naast elkaar gelegen spleten valt. De
intensiteitsverdeling van het patroon van lichte en donkere gebieden dat dan ontstaat, is in figuur 4.5
weergegeven. Op grond van de regelmaat van de plaatsen waar de maxima optreden, zou men tussen
het maximum bij A en het maximum bij B ook een maximum verwachten.
eLeg uit waarom op die plaats geen maximum kan optreden.
In het eerste minimum naast het grootste maximum is de lichtintensiteit op het scherm nul bij gebruik
van twee spleten. Deze plaats op het scherm noemen we Q.
Tot slot laat men licht vallen op drie naast elkaar gelegen spleten. Het grootste maximum ligt weer op
dezelfde plaats als bij het experiment met de twee spleten.
,f. Leg uit dat de intensiteit in het punt Q van het scherm ongelijk aan nul wordt.
Bijlage (2*):
Einde.