examensteller bronnen

natuurkunde havo 1996 · tijdvak 1Overgetypte versie. De opmaak volgt het origineel zo dicht mogelijk, maar is niet het originele zetwerk.

bij dit examen

Natuurkunde Havo 1996-II

opgave 1Opgave 1 Geluidshinder

Jeroen meet op verschillende afstanden van een snelweg het geluidssterkteniveau met een
decibelmeter. De geluidsenergie die het verkeer per seconde produceert, blijft tijdens zijn metingen
gelijk. Zijn metingen heeft hij in het diagram van figuur 1 uitgezet.
13p
24p
33p
figuur bij de opgave
In figuur 2 is de decibelmeter te zien met de
waarde die Jeroen vlak bij zijn huis meet.
→ Bepaal op welke afstand Jeroen van de snelweg
woont. Geef het antwoord in drie significante
cijfers.
Van een huis in de buurt is de voorgevel naar de
snelweg gericht. Daar bedraagt het
geluidssterkteniveau tussen 8.00 uur en
20.00 uur gemiddeld 58 decibel. Dat betekent
dat elke vierkante meter van de voorgevel
6,3 ⋅ 10‑7 W aan geluidsvermogen ontvangt.
De voorgevel heeft een oppervlakte van 40 m2 .
→ Bereken hoeveel geluidsenergie deze gevel
ontvangt in de genoemde tijdsduur.
Jeroen leest in de krant dat over een aantal jaren
de geluidsintensiteit zal zijn verdubbeld door
toename van het verkeer.
Op de bijlage is het diagram van figuur 1
nogmaals getekend.
→ Bepaal op welke afstand van de snelweg het
geluidssterkteniveau van 58 dB dan komt te
liggen. Teken daartoe op de bijlage het diagram van het geluidssterkteniveau als functie van de
afstand tot de snelweg bij verdubbeling van de geluidsintensiteit. Geef het antwoord in drie
significante cijfers.
Bijlage:
figuur bij de opgave

opgave 2Opgave 2 Optellen

In een rekenmachine worden de ingetoetste getallen eerst in binaire getallen omgezet.
43p
→ Geef het getal 171 binair weer. Laat de berekening zien.
Om de binaire getallen op te tellen, worden schakelingen gebruikt zoals getekend in figuur 3.
figuur bij de opgave
De ingangen A en B kunnen hoog of laag zijn, dus de waarde 1 of 0 hebben. De uitgangen C en D
worden in de volgorde CD afgelezen. Als bijvoorbeeld geldt: C = 1 en D = 0, dan geeft CD het binaire
getal 10 weer (decimaal dus 2). CD geeft het resultaat van de optelling van A en B binair weer.
De met een vraagteken aangegeven rechthoek van figuur 3 stelt een OF‑poort of een EN‑poort voor.
Door de tabellen op de bijlage geheel of gedeeltelijk in te vullen, kan worden nagegaan welke van
deze twee poorten door de rechthoek wordt voorgesteld.
53p
→ Vul de tabellen op de bijlage geheel of gedeeltelijk in en leg uit of de met een vraagteken aangegeven
rechthoek een OF‑poort voorstelt of een EN‑poort.
Bijlage:
figuur bij de opgave

opgave 3Opgave 3 Tralie

64p
Loodrecht op een tralie laat men
achtereenvolgens verschillende soorten licht
vallen.
Het tralie heeft 200 spleten per mm. Achter
het tralie staat een halfcirkelvormig scherm,
zodat steeds het gehele interferentiepatroon
op het scherm valt. Zie figuur 4.
Eerst laat men laserlicht met een golflengte
van 633 nm op het tralie vallen.
→ Bereken hoeveel maxima er op het scherm
zichtbaar zijn.
Vervolgens laat men een smalle bundel wit
arm licht op het tralie vallen. De bundel
bevat alleen zichtbaar licht waarvan de
figuur bij de opgave
golflengten tussen 400 nm en 700 nm liggen.
Op het scherm worden nu kleurenspectra zichtbaar.
74p
→ Laat met een berekening zien of het tweede orde spectrum en het derde orde spectrum elkaar
gedeeltelijk overlappen.

opgave 4Opgave 4 Lithium

Als een kern van lithium‑7 wordt beschoten met een α ‑deeltje, kan de volgende kernreactie optreden:
7 3 Li + 4 2 He 11 5 B
84p
Deze kernreactie treedt op als de kinetische energie van
het α ‑deeltje ongeveer 2 MeV bedraagt.
In tabel 1 is de massa van de bij de kernreactie betrokken
kernen gegeven.
→ Bereken de snelheid van een α ‑deeltje met een kinetische
energie van 2,0 MeV.
figuur bij de opgave
93p
→ Bereken de bindingsenergie die bij deze kernreactie vrijkomt. Geef het antwoord in drie significante
cijfers.
Als de kinetische energie van het α -deeltje bij de botsing op 7 Li groter is dan 2 MeV, treedt een
andere kernreactie op. Er wordt dan een nieuwe kern gevormd en er komt een neutron vrij.
103p
→ Geef de vergelijking van deze kernreactie.
Men beschiet 7 Li met α ‑deeltjes die een nog veel grotere kinetische energie hebben.
Nu wordt het instabiele 10 Be gevormd.
Op een gegeven moment stopt de beschieting. Er zijn dan 3,2 ⋅ 104 kernen 10 Be gevormd.
114p
→ Bereken hoeveel van deze kernen zijn vervallen na 8,1 ⋅ 106 jaar.

opgave 5Opgave 5 Onweer

123p
Tussen het aardoppervlak en de luchtlaag op
50 km hoogte bestaat een elektrische spanning
van 400 kV.
Figuur 5 stelt een 50 km hoge luchtkolom voor
die zich boven 1,0 m2 van het aardoppervlak
bevindt. Omdat lucht een slechte geleider is,
loopt er steeds een elektrische stroom van
slechts 3,5 ⋅ 10‑12 A door de luchtkolom naar de
aarde.
→ Bereken de gemiddelde soortelijke weerstand
van de lucht in de luchtkolom.
Bij onweer loopt er tijdens een blikseminslag
juist een elektrische stroom van de aarde af.
Deze elektrische stroom loopt slechts gedurende
zeer korte tijd, maar bereikt wel een grote
waarde.
figuur bij de opgave
Een blikseminslag kan ook grote stromen veroorzaken in elektriciteitssnoeren. Deze kunnen daardoor
ernstig beschadigd worden.
Door een stuk koperdraad loopt bij een bepaalde blikseminslag een stroom van 850 A.
De weerstand van deze draad is gemiddeld 0,077 Ω en de massa is 18 g.
De begintemperatuur van de draad is 20 °C.
135p
→ Bereken hoe lang het duurt voordat de koperdraad begint te smelten.

opgave 6Opgave 6 Race-auto

kranteartikel
Lees het kranteartikel.
We nemen aan dat de beweging van stilstand naar een
snelheid van 100 km/h eenparig versneld is.
143p
→ Bereken de afstand die de auto nodig heeft om deze
snelheid te bereiken.
coureur nog net in past.
De auto ondervindt tijdens het rijden onder andere
rolwrijving. De grootte van de rolwrijvingskracht is
acht, tien of twaalf cilinders. Hoe meer
evenredig met de normaalkracht.
Vlak voor het einde van de race komt de raceauto na een leveren voldoende vermogen om in
slippartij even stil te staan.
Er zit dan nog maar weinig brandstof in de tank. Vanuit van 100 km per uur te versnellen.
stilstand trekt de auto nu bij dezelfde motorkracht in
minder dan 2,5 s op naar 100 kilometer per uur.
152p
→ Geef twee redenen waarom de auto nu in kortere rijden een aërodynamische kracht ontstaat die
tijd op kan trekken naar 100 km/h.
aërodynamische kracht is evenredig met de
snelheid. Bij een snelheid groter dan 100 km
We nemen aan dat bij een snelheid van 100 km/h de race- per uur wordt de race-auto hierdoor al zó hard
auto nèt in staat is over een weg te rijden die tegen het
plafond is aangelegd. Bij een snelheid van 200 km/h is de zou zijn om over een weg te rijden die tegen
aërodynamische kracht op de race-auto 2,0 keer zo groot het plafond is aangelegd.
als bij 100 km/h.
In figuur 6 is een race-auto getekend die met 200 km/h
over een weg langs het plafond rijdt.
figuur bij de opgave
Figuur 6 staat ook op de bijlage. Het zwaartepunt Z, de zwaartekracht ` Fz en de totale wrijvingskracht
` Fw,tot zijn op de bijlage al getekend.
165p
→ Teken op de bijlage alle overige krachten die op de auto werken. Neem daarbij aan dat deze krachten
in Z aangrijpen.
Bijlage:
figuur bij de opgave
Kies één van de twee; denk aan de ruimte:
figuur bij de opgave

opgave 7Opgave 7 Bergsport

Hennie wil een berg beklimmen. Hij heeft een massa van 72 kg en draagt een rugzak van 15 kg. Hij
wandelt stevig door en stijgt 450 m per uur. Daarbij neemt zijn zwaarte-energie toe.
174p
→ Bereken het vermogen dat nodig is voor het toenemen van de zwaarte-energie.
Bij het begin van zijn tocht heeft Hennie een zakje chips gekocht en dat in zijn rugzak meegenomen.
Op de top van de berg blijkt dat het zakje bol is gaan staan. Dit wordt niet veroorzaakt door een
temperatuursverandering.
183p
→ Leg uit of de druk van de lucht in het chipszakje, vergeleken met die in het begin van zijn tocht, nu
groter is geworden, kleiner is geworden of gelijk is gebleven.
Op de terugweg daalt hij af via een sneeuwveldje. Daar glijdt hij op een vuilniszak naar beneden. Op
een bepaald moment is zijn hoogte met 48 m afgenomen. Al glijdend heeft hij 85% van zijn zwaarte-
energie verloren door wrijving.
194p
→ Bereken zijn snelheid op dat moment.
Het laatste stuk van het sneeuwveldje maakt een hoek van 24° met de horizon. Hij glijdt hier met een
constante snelheid.
203p
→ Bereken de grootte van de wrijvingskracht die Hennie hier ondervindt.
Op de top van de berg, die op 3,5 km hoogte ligt, heeft hij zijn veldfles leeggedronken en daarna
luchtdicht afgesloten. Op 1,25 km hoogte komt hij bij een meertje. Hier wil hij zijn veldfles vullen. De
dop van zijn veldfles kan hij er maar moeilijk af krijgen. Het volume van de veldfles is niet veranderd.
De temperatuur van de lucht in de veldfles is hetzelfde gebleven als op de top van de berg.
De dop van zijn veldfles heeft een doorsnede van 12,4 cm2 .
In figuur 7 staat de druk van de lucht uitgezet als functie van de hoogte boven zeeniveau.
figuur bij de opgave
214p
→ Bepaal de kracht die op de dop werkt ten gevolge van het drukverschil van de lucht binnen en buiten
de veldfles. Geef het antwoord in twee significante cijfers.

opgave 8Opgave 8 Oscilloscoop

Voordat elektronen in een oscilloscoop worden afgebogen, worden ze versneld.
Daartoe doorlopen ze een elektrisch veld in het versnellingsgedeelte. Zie figuur 8.
figuur bij de opgave
In punt A van dit veld heeft een elektron een snelheid van 1,2 ⋅ 106 m/s.
In punt B is de snelheid 6,4 ⋅ 106 m/s.
223p
→ Bereken de elektrische spanning tussen de punten B en A.
Nadat het elektron is versneld, passeert het de afbuigplaten waardoor het wordt afgebogen. Zie
figuur 8. In punt P is de snelheid 9,5 ⋅ 106 m/s. Iemand houdt een staafmagneet voor het midden van
het scherm. De veldlijn die door P gaat is in figuur 8 getekend. Deze figuur staat ook op de bijlage.
233p
→ Teken op de bijlage de richting van het magneetveld in P en leg uit welke richting de lorentzkracht op
het elektron in punt P heeft.
De grootte van de magnetische inductie in P is 4,0 ⋅ 10-2 T.
243p
→ Bereken de grootte van de lorentzkracht op het elektron in P.
Op het scherm van de oscilloscoop wordt een wisselspanning met een frequentie van 50 Hz zichtbaar
gemaakt. Zie figuur 9. Deze figuur is op ware grootte.
figuur bij de opgave
253p
→ Bepaal met welke tijdsduur één cm op de horizontale as overeenkomt. Geef het antwoord in
twee significante cijfers.
Langs de verticale as komt één cm overeen met een spanning van 2,0 V. De wisselspanning wordt nu
aangesloten op de primaire spoel van een transformator. Op de secundaire spoel wordt een weerstand
van 130 Ω aangesloten. Door deze weerstand loopt een wisselstroom met een maximale waarde van
0,52 A.
264p
→ Bepaal de verhouding tussen het aantal primaire windingen en het aantal secundaire windingen. Geef
het antwoord in twee significante cijfers.
Bijlage:
figuur bij de opgave
Kies één van de twee:
figuur bij de opgave
Einde.