examensteller bronnen

natuurkunde havo 1995 · tijdvak 2Overgetypte versie. De opmaak volgt het origineel zo dicht mogelijk, maar is niet het originele zetwerk.

bij dit examen

Natuurkunde Havo 1995-II

opgave 1Opgave 1 Beachball

Op het strand spelen een meisje en een jongen beachball. Met een houten plankje (bat) slaan ze een
bal heen en weer. Zie figuur 1.
figuur bij de opgave
Het balspel wordt door een waarnemer gevolgd. Deze meet 11,2 s voor de tijd dat de bal 10 keer van
het meisje naar de jongen gaat en weer terug. De horizontale afstand die de bal aflegt tussen twee
opeenvolgende slagen is 4,5 m.
13p
→ Bereken de gemiddelde grootte van de horizontale snelheid van de bal tussen twee opeenvolgende
slagen.
23p
figuur bij de opgave
De waarnemer loopt nu achteruit langs lijn l van
O naar W Zie figuur 2. Hij neemt daarbij waar dat
het moment waarop hij een slag ziet niet meer
samenvalt met het moment waarop hij die slag
hoort. Als hij zich tenslotte in W bevindt, hoort
hij het geluid van de slag van de jongen op het
moment waarop hij de slag van het meisje ziet.
De afstand tussen de jongen en het meisje is niet
veranderd. Ook het tempo van de slagenwisseling
is gelijk gebleven. De temperatuur van de lucht is
20 °C.
→ Bereken de afstand JW
33p
→ Leg uit of deze afstand groter, kleiner, of gelijk zou zijn als de temperatuur hoger zou zijn geweest.

opgave 2Opgave 2 Kwartje op fles

Op de opening van een flesje legt Ger een kwartje. Zie figuur 3. Om
ervoor te zorgen dat de lucht in het flesje goed wordt afgesloten, heeft
hij de rand van het flesje eerst nat gemaakt. Met zijn handen verwarmt
hij het flesje en de lucht erin. Hierdoor wordt de druk op de onderkant
van het kwartje groter dan die op de bovenkant: er ontstaat een
drukverschil Δ p .
Op een zeker moment ziet Ger het kwartje omhoog wippen. Hij neemt
aan dat het drukverschil Δ p op dat moment voor een kracht zorgt die net
zo groot is als de zwaartekracht op het kwartje. Hij meet de oppervlakte
van de opening van het flesje. Deze blijkt 212 mm2 te zijn. Ook weegt
figuur bij de opgave
hij het kwartje. De massa is 2,90 g.
44p
→ Bereken de waarde van Δ p die hoort bij Ger's aanname.
Om de werkelijke waarde van Δ p te vinden, doet Ger nog enkele metingen. Hij leest op een barometer
nauwkeurig de buitenluchtdruk af. Hij vindt 1031,5 ⋅ 102 Pa. Bij het begin van de proef heeft hij de
temperatuur van de lucht in het flesje gemeten. Die was 15,1 °C. Als het kwartje opwipt, is deze
temperatuur opgelopen tot 15,6 °C.
54p
→ Bereken de werkelijke waarde van Δ p .
Het flesje is van gewoon glas gemaakt en heeft een massa van 260 g. Om de temperatuur van alleen
het flesje 1,0 °C te verhogen, moet Ger dit 65 s lang tussen zijn handen houden.
64p
→ Bereken het warmtevermogen dat in deze tijd gemiddeld door Ger aan het flesje is afgegeven.
Verwaarloos daarbij het warmteverlies aan de omgeving.

opgave 3Opgave 3 Bestraling met protonen

Om een tumor in het menselijk lichaam te kunnen vernietigen, is een speciale naald ontwikkeld. De
punt van deze naald wordt in de tumor gebracht. Uit de naald komen protonen die vooral de cellen van
de tumor vernietigen. Het omringende weefsel wordt nauwelijks beschadigd. In figuur 4 is de situatie
schematisch getekend.
figuur bij de opgave
In een ruimte vóór de naald doorlopen 3 He+ ‑ionen een potentiaalverschil van 0,80 MV. De
beginsnelheid van deze ionen moet verwaarloosd worden.
74p
→ Bereken de snelheid van de ionen nadat ze versneld zijn.
De punt van de naald is gemaakt van een materiaal waarin zich deuteriumkernen bevinden. Een
deuteriumkern bestaat uit een proton èn een neutron. Wanneer een 3 He‑kern een deuteriumkern treft,
vindt er een kernreactie plaats. Hierbij ontstaan een proton en een nieuwe kern.
84p
→ Stel de vergelijking op die bij deze kernreactie hoort.
De protonen die bij deze kernreactie ontstaan, hebben een energie van 13,6 MeV. Ze dringen slechts
enkele millimeters in de tumor door en geven daarbij al hun energie af. Een tumor van 0,145 g moet
een stralingsdosis van 10 Gy krijgen.
94p
→ Bereken het aantal protonen dat hiervoor nodig is.

opgave 4Opgave 4 Voetgangerslicht

Bij een oversteekplaats staat een verkeerslicht voor voetgangers. Als er niemand wil oversteken, staat
dit voetgangerslicht op rood. Met een drukknop kan een voetganger er voor zorgen dat het groene
licht gaat branden. In de schakeling van figuur 5 is zo’n voetgangerslicht nagebouwd.
figuur bij de opgave
Via drukschakelaar S en geheugencel M1 (geheugen 1) wordt een teller bediend. Deze teller werkt als
volgt:
→ als de aan/uit-ingang hoog is, worden de pulsen geteld die een pulsgenerator levert,
→ bij het begin van een puls op de telpulseningang telt de teller 1 verder,
→ als de reset-ingang hoog is, wordt de teller gereset.
Als uitvoer worden twee leds gebruikt, die als rood en groen licht dienen.
Terwijl het rode licht brandt, drukt iemand op t = 0 kort op drukschakelaar S. In figuur 6a staat
aangegeven op welke tijdstippen de pulsgenerator een puls geeft.
figuur bij de opgave
In figuur 6b kan door arcering worden aangegeven wanneer het rode licht brandt. Dit is al gedaan
voor de periode tot het indrukken van schakelaar S. In figuur 6c kan door arcering worden aangegeven
wanneer het groene licht brandt.
103p
→ Bepaal met behulp van figuur 6 de frequentie waarop de pulsgenerator is ingesteld.
114p
→ Geef op de bijlage door arcering aan in welke periode(n) het rode licht brandt en in welke periode(n)
het groene.
Als na een bepaalde tijd het rode licht weer aangaat, moet het display meteen op nul springen.
123p
→ Leg uit hoe dat in de schakeling werkt.
Bijlage:
figuur bij de opgave

opgave 5Opgave 5 Fietser

Een fietser rijdt over een horizontale weg. Hij ondervindt daarbij rolwrijving en luchtwrijving. De
rolwrijving is constant. De totale wrijvingskracht als functie van zijn snelheid is weergegeven in
figuur 7.
figuur bij de opgave
De fietser rijdt met een constante snelheid van 6,0 m/s.
133p
→ Bepaal de luchtwrijving die de fietser bij deze snelheid ondervindt.
144p
→ Bepaal het vermogen dat de fietser bij deze snelheid levert.
Hij rijdt vervolgens met een andere constante snelheid een helling van een brug op. Zie figuur 8.
figuur bij de opgave
De hellingshoek is hier 4,5°. De totale wrijvingskracht die hij ondervindt is 24 N. De massa van
fietser en fiets samen is 82 kg.
154p
→ Bereken de kracht in de richting van de beweging die bij deze snelheid nodig is.
Na de brug is de weg weer horizontaal.
Op deze horizontale weg gaat de fietser een bocht door
waarbij de grootte van zijn snelheid niet verandert. Hij
maakt daarbij een hoek met het horizontale vlak. Zie
figuur 9. Op de fietser werkt een aantal krachten. De
resultante van deze krachten grijpt aan in het
zwaartepunt Z1 . De zwaartekracht ` Fz is al aangegeven
in de figuur.
164p
→ Bepaal met behulp van een constructie op de bijlage de
grootte van de middelpuntzoekende kracht.
Thuisgekomen bevestigt de fietser een kar aan de
trekhaak T van zijn fiets. Zie figuur 10.
De massa van de kar is 18 kg. Het zwaartepunt van de kar is aangegeven met Z2 . De fietser staat stil.
174p
→ Bepaal de grootte van de kracht in T op de kar.
Bijlage:
figuur bij de opgave

opgave 6Opgave 6 Vergrotingsapparaat

183p
figuur bij de opgave
Een vergrotingsapparaat wordt gebruikt om van een
negatief een afbeelding op fotopapier te maken.
Daarbij valt er licht door het negatief Zie
figuur 11.
Het negatief is 36,0 mm lang en 24,0 mm breed. De
afstand tussen het negatief en de lens wordt
ingesteld op 9,00 cm.
Bij een scherp beeld is de afstand tussen negatief en
fotopapier 54,0 cm.
→ Bereken de brandpuntsafstand van de lens.
De fotograaf draait nu een andere lens in het
vergrotingsapparaat. Hij wil dat het beeld 7,2 cm
lang en 4,8 cm breed wordt. Om weer een scherp beeld te krijgen, moet hij de afstanden tussen
193p
negatief, fotopapier en lens veranderen.
In figuur 12 is de situatie op schaal weergegeven.
De dubbele pijl stelt de lengte van het negatief
voor. Figuur 12 is vergroot op de bijlage afgedrukt.
→ Construeer op de bijlage de plaats van de lens.
figuur bij de opgave
De tijdsduur gedurende welke er licht door het negatief valt, moet instelbaar zijn.
Hiervoor wordt de schakeling van figuur 13 gebruikt. In deze schakeling bevinden zich een
weerstand R en een condensator C. De potentiaal van punt P wordt gebruikt als ingangssignaal voor
een comparator. Alleen als de uitgang van deze comparator hoog is, brandt de lamp van het
vergrotingsapparaat.
De schakelaar wordt in stand 1 gezet.
202p
→ Leg uit waarom de condensator zeer snel wordt opgeladen.
212p
→ Bepaal de lading van de condensator als deze is opgeladen.
Voor de grootte van de weerstand R, de condensator C en de referentiespanning kunnen verschillende
waarden worden gekozen. Hieronder zijn drie mogelijkheden aangegeven:
Mogelijkheid Mogelijkheid Mogelijkheid
A B C
R = 300 k Ω R = 600 k Ω R = 600 k Ω
C = 2,0 ⋅ 10-5 F C = 2,0 ⋅ 10-5 F C = 2,0 ⋅ 10-5 F
Vref =2,0 V Vref = 2,0 V Vref = 1,5 V
Steeds wordt de schakelaar eerst in stand 1 gezet en daarna in stand 2.
223p
→ Beredeneer bij welke van deze drie mogelijkheden de lamp het langst brandt.
Bijlage:
figuur bij de opgave

opgave 7Opgave 7 Gifmeter

233p
Als men wil vaststellen of een stuk grond met
giftige stoffen is verontreinigd, kan men de
lucht vlak boven de grond onderzoeken met
een zogenaamde foto-ionisatie detector, ook
wel 'gifmeter' genoemd.
In zo'n gifmeter bevinden zich een UV‑lamp
en een ionisatiekamer. Zie figuur 14.
In de UV‑lamp bevinden zich atomen van een
edelgas. Deze atomen worden in een
aangeslagen toestand gebracht en zenden
vervolgens ultraviolet licht uit.
Ieder foton van dit licht heeft een energie van
10,2 eV.
→ Bereken de golflengte van dit ultraviolette
licht.
Het te onderzoeken luchtmengsel wordt
loodrecht op het vlak van tekening tussen de
platen B en C door de ionisatiekamer
gepompt. De fotonen botsen in de
figuur bij de opgave
ionisatiekamer op de molekulen van het luchtmengsel dat onderzocht wordt. Deze molekulen kunnen
daardoor geïoniseerd worden.
Bij de vorming van elk ion komt één elektron vrij. De spanning tussen de platen B en C zorgt ervoor
dat al deze ionen naar C gaan en alle elektronen naar B. De elektrische stroom die hierdoor ontstaat,
wordt gemeten met stroommeter A. Zie figuur 14.
In onderstaande tabel zijn de ionisatie-energie en de massa van de molekulen van enkele stoffen
vermeld.
Naam Ionisatie-energie Massa
in eV in 10‑25 kg
Xyleen 8,56 1,76
Tolueen 8,82 1,53
Hydrazine 9,00 4,98
Benzeen 9,25 1,30
Water 12,59 3,00
Zuurstof 12,08 5,33
Koolstofdioxide 13,79 7,33
Stikstof 15,60 4,67
Argon 15,76 6,63
Men voert eerst vochtige, schone lucht door de gifmeter.
242p
→ Beredeneer met behulp van gegevens uit de tabel of de stroommeter wel of niet een uitslag geeft.
Daarna voert men per seconde 2,0 cm3 sterk met benzeen verontreinigde lucht door de ionisatiekamer.
De UV-lamp zendt per seconde zoveel fotonen uit, dat alle in de lucht aanwezige benzeenmolekulen
worden geïoniseerd. Stroommeter A geeft hierbij een constante waarde van 0,26 mA aan. De waarde
van weerstand R is 66 k Ω . De spanningsbron levert een constante spanning van 180 V. Alle ionen en
vrije elektronen doen mee aan het ladingstransport.
253p
→ Bereken de spanning over de platen B en C.
264p
→ Bereken het aantal benzeenmolekulen per liter van deze verontreinigde lucht.
Lees onderstaand krante-artikel door.
krante-artikel
Bij te veel benzeen in lucht
wordt autoverkeer beperkt
Dampretoursystemen
Van onze verslaggeefster
DEN HAAG - Steden met te hoge Bij naar schatting vijfhonderd ben-
benzeenconcentraties moeten het zinestations is het benzeenniveau te
autoverkeer beperken of omleiden. hoog. Vanaf 1 juli 1996 moet het
Dat is het gevolg van het Besluit niveau zijn teruggebracht tot 10
luchtkwaliteit benzeen, dat minister microgram per kubieke meter lucht.
Alders van Milieubeheer wil Dat gebeurt door dampretoursystemen
invoeren. Benzeen is een die de benzeen terugleiden naar de
kankerverwekkende stof in benzine pomp, zodat deze niet kan ontsnappen
die vrijkomt bij verdamping en ver- naar de buitenlucht.
branding.
Alders wil dat er niet meer dan 10
microgram benzeen voorkomt in een (naar. Volkskrant, januari 1993)
kubieke meter lucht.
Op het terrein van een benzinestation onderzoekt men de lucht met de gifmeter. Uit de meting blijkt
dat er zich 1,8 ⋅ 1015 benzeen-molekulen in 1,0 liter lucht bevinden.
273p
→ Leg met behulp van een berekening uit of de norm die geldt vanaf 1 juli 1996 is overschreden.
Einde.