examensteller bronnen

natuurkunde havo 1992 · tijdvak 1 · nieuw programmaOvergetypte versie. De opmaak volgt het origineel zo dicht mogelijk, maar is niet het originele zetwerk.

bij dit examen

Natuurkunde Havo 1992-I Nieuw programma.

opgave 1Opgave 1 Storm

Op enkele dagen in de maanden januari en februari 1990 woedden in Europa hevige stormen. Op
donderdag 25 januari bereikten windvlagen in Nederland orkaankracht, hetgeen op de schaal van
Beaufort met windsterkte 12 wordt aangegeven (zie ook tabel 89 van het informatieboek Binas).
Bomen, vrachtauto's en schuttingen waaiden in grote aantallen om.
Op één van deze dagen wil Joost de windsterkte bepalen. Daartoe meet hij met een veerunster de
kracht die de wind op een tuinpoort uitoefent. De wind staat loodrecht op de schutting, die een diepe
achtertuin afsluit. De poort is met twee scharnieren aan een schuurtje bevestigd en sluit met een
haak H aan de schutting ernaast. In figuur 1 is de schutting met de tuinpoort afgebeeld, aan die zijde
waartegen de wind waait.
figuur bij de opgave
Joost bevestigt de veerunster aan de rand van de poort bij H. Hij gaat rechts van de poort staan en
meet de kracht, loodrecht op de poort, die nodig is om deze tegen de wind in open te trekken.
Als hij aanneemt dat de windkracht in het midden van de poort aangrijpt, vindt hij vervolgens na een
kleine berekening voor de windkracht de waarde van 880 N.
12p
→ Bereken de aanwijzing van de veerunster.
Daarna meet Joost lengte en breedte van de poort en berekent daaruit dat de oppervlakte 2,5 m2 is. Op
de foto is de omtrek van de poort aangegeven met een witte lijn.
25p
→ Bepaal met behulp van figuur 1 de werkelijke breedte van de tuinpoort.
32p
→ Bereken de door de wind op de poort uitgeoefende druk.
Als een vlak voorwerp met een snelheid v in stilstaande lucht beweegt, in een richting loodrecht op
het vlak van het voorwerp, dan ondervindt het hierin een wrijvingskracht
Fw = 1,3 Av2
waarin:
A = de oppervlakte in m2
v = de snelheid in m/s.
Joost gaat er nu bij de bepaling van de windsterkte van uit, dat de bovenstaande formule ook gebruikt
mag worden voor de kracht die een stilstaande tuinpoort van de wind ondervindt.
43p
→ Bepaal de windsterkte op de Beaufortschaal die zo uit de metingen van Joost volgt.

opgave 2Opgave 2 Datering

Enkele archeologen hebben bij opgravingen een oude vuurplaats ontdekt. Ze vinden naast
houtskoolresten ook enkele scherven van potten. Op grond van de vorm van de potscherven en de
versieringen erop schatten zij de ouderdom op 4000 jaar. Ze besluiten de ouderdom van de
houtskoolresten te laten vaststellen met behulp van de koolstof‑14-methode.
De koolstof in plantaardig materiaal bestaat voor een zeer gering deel uit het radioactieve isotoop 14 C.
Zodra het plantaardig materiaal is afgestorven, zal de hoeveelheid 14 C afnemen omdat het 14 C vervalt.
In tabel 25 van het informatieboek Binas staan gegevens over dit verval.
53p
→ Geef de kernreactie van het verval van 14 C.
64p
→ Bereken de maximale snelheid van het door een 14 C‑kern uitgezonden deeltje.
In het algemeen komt de dateringsmethode op het volgende neer.
Men maakt van houtskoolresten door verbranding koolstofdioxide (gas) en meet de 14 C‑activiteit van
dit gasmonster. Vervolgens vergelijkt men deze activiteit met de activiteit van een standaardmonster.
Een standaardmonster bestaat uit eenzelfde hoeveelheid koolstofdioxide die is verkregen door
verbranding van recent gevormd plantaardig materiaal. Aangezien de halveringstijd van 14 C
nauwkeurig bekend is, kan vervolgens berekend worden hoe oud het te onderzoeken monster is.
De activiteit van het onderzochte monster (Am ) blijkt 70% te zijn van de activiteit van het
standaardmonster (Astm ) .
74p
→ Leg uit of de ouderdomsschatting met behulp van de scherven overeenkomt met de
ouderdomsbepaling uit de activiteitsmeting. Teken daartoe eerst de vervalkromme in het diagram op
de bijlage.
Eén der archeologen zegt dat je de ouderdom van de houtskoolresten ook zou kunnen bepalen door te
kijken naar de kinetische energie van het per 14C‑kern uitgezonden deeltje.
"Immers", zegt de archeoloog, "gemiddeld is de kinetische energie van een uitgezonden deeltje kleiner
naarmate het radioactieve materiaal ouder is."
83p
→ Leg uit of de archeoloog een bruikbaar meetprincipe voorstelt.
Bijlage:
figuur bij de opgave

opgave 3Opgave 3 Expansievat

In een cv-installatie bevindt zich een bepaalde hoeveelheid water met een temperatuur van 20 °C.
Doordat de verwarmingsketel wordt aangezet stijgt de temperatuur van het water tot 80 °C.
93p
→ Bereken de energie die per kg water minimaal benodigd is voor deze temperatuurstijging.
De door de verwarming veroorzaakte uitzetting van het water zou in cv-installaties al snel tot
gevaarlijk grote drukverhogingen leiden. Daarom neemt men in elke cv-installatie een expansievat op.
In een folder over expansievaten staat de grafiek die in figuur 2 is afgebeeld. In deze grafiek is de
uitzetting van een standaardhoeveelheid water weergegeven als functie van de temperatuur. Deze
standaardhoeveelheid water heeft bij een temperatuur van 20 °C een volume van 100 liter.
figuur bij de opgave
Door de verwarming van 20 °C naar 80 °C blijkt het water in de eerdergenoemde cv-installatie
8,5 liter uit te zetten.
103p
→ Bepaal de massa van het water in deze cv-installatie.
Figuur 2 is ook weergegeven op de bijlage.
113p
→ Bepaal met behulp van deze grafiek de volumeverandering voor de standaardhoeveelheid water per
graad temperatuurstijging bij 80 °C.
De uitzetting van het water wordt in het expansievat opgevangen. In figuur 3 is een dwarsdoorsnede
van het vat getekend. In het vat bevindt zich een rubber membraan. Het membraan staat bij een
watertemperatuur van 20 °C in de hoogste stand, zodat er zich nagenoeg geen water in het vat bevindt.
In het vat bevindt zich stikstofgas dat onder deze omstandigheden een druk heeft van 150 kPa en een
volume van 18,0 liter. Als de temperatuur in de cv-installatie is opgelopen tot 80 °C is het water
8,5 liter uitgezet. Zie figuur 4. De druk van het stikstofgas in het expansievat blijkt dan behoorlijk te
zijn opgelopen.
figuur bij de opgave
De uitzetting van buizen en radiatoren wordt verwaarloosd. De temperatuur van het gas wordt gelijk
verondersteld aan die van het water in de cv-installatie.
124p
→ Bereken de druk van het stikstofgas in het expansievat bij de watertemperatuur van 80 °C.
Bijlage:
figuur bij de opgave

opgave 4Opgave 4 Koelcel

Men wil de temperatuur in een koelcel op 10,0 °C houden. Omdat de koelcel in een ruimte met een
temperatuur van 21 °C staat, moet een koelmachine gebruikt worden. Om de bediening van deze
machine te automatiseren gaat men een schakeling maken. Bij het bouwen van deze schakeling maakt
men in ieder geval gebruik van een temperatuursensor, een comparator en een relais. Eventueel kan
ook gebruik worden gemaakt van een invertor.
Voor de sensor geldt de ijkgrafiek die weergegeven is in figuur 5.
figuur bij de opgave
133p
→ Bepaal de gevoeligheid van de temperatuursensor.
De temperatuur in de koelcel wordt met behulp van de sensor bepaald. Het door de sensor aan de
comparator afgegeven signaal moet er uiteindelijk voor zorgen dat de koelmachine wordt bediend.
142p
→ Hoe groot is de waarde van de referentiespanning waarop men de comparator moet instellen?
We spreken van een continu signaal als de signaalwaarde in een groot aantal kleine stapjes kan
veranderen. Een discreet signaal bevat slechts een paar verschillende signaalwaarden.
152p
→ Leg uit tot welke categorie het door de comparator afgegeven signaal behoort.
De koelmachine M bevindt zich in een aparte stroomkring met een eigen spanningsbron en een
zogenaamd 'breekrelais'. Het breekrelais onderbreekt deze stroomkring als het een hoog signaal
ontvangt. Zie figuur 6.
figuur bij de opgave
De punten P en Q kunnen rechtstreeks met elkaar verbonden worden of via een invertor.
164p
→ Licht toe welke van deze twee mogelijkheden je moet kiezen voor de gewenste bediening van de
koelmachine.
Op de in de koelcel staande koelmachine wordt vervolgens de schakeling aangesloten die leidt tot de
gewenste bediening ervan. De sensor bevindt zich in de koelcel.
172p
→ Beredeneer of het elektronische systeem samen met de koelcel een meetsysteem, een stuursysteem
danwel een regelsysteem is.

opgave 5Opgave 5 Halogeenlampen

Voor verlichting worden steeds vaker halogeenlampen gebruikt. De temperatuur van de gloeidraad is
hoger dan bij een gewone gloeilamp. Daardoor geven ze meer licht. De lampen zijn gevuld met een
gas dat er voor zorgt dat de gloeidraad bij deze hogere temperatuur nauwelijks verdampt.
Een halogeenlamp wordt aangesloten op een spanning van 12,0 V, waarbij zijn vermogen 40 W
bedraagt.
183p
→ Bereken de weerstand van de gloeidraad van deze halogeenlamp tijdens het branden.
Om een dergelijke lamp op het lichtnet van 220 V wisselspanning aan te kunnen sluiten, is een
transformator nodig. Er wordt hiervoor een transformator gebruikt, die we als ideaal beschouwen. De
primaire spoel heeft 3000 windingen.
193p
→ Bereken het aantal windingen van de secundaire spoel.
203p
→ Bereken de stroomsterkte in de primaire spoel.
In figuur 7 is te zien hoe zo'n halogeenlamp is opgehangen.
figuur bij de opgave
Twee metalen kabels zijn evenwijdig aan elkaar van muur tot muur gespannen. De kabels hebben een
doorsnede met een oppervlakte van 2,0 mm2 . Via een transformator wordt tussen de kabels bij A en B
een wisselspanning van 12,0 V aangelegd. Over iedere kabel wordt een soepele koperdraad gelegd.
De koperdraden maken goed elektrisch contact met de kabels en dienen voor de stroomvoorziening
van de lamp. De koperdraden zorgen eveneens voor de ophanging van de lamp. Om de lamp in
evenwicht te houden zijn twee kogels bevestigd aan de vrije uiteinden van de koperdraden.
Op deze manier zijn twee verschillende lampen L1 en L2 opgehangen. L1 hangt op 3,00 m van de
muur, L2 hangt wat verder weg.
In figuur 8 is de elektrische schakeling schematisch weergegeven.
figuur bij de opgave
De weerstand van 1,00 m metalen kabel is 1,4 ⋅ 10-2 Ω .
213p
→ Bereken de soortelijke weerstand van het metaal van de kabel.
Door L1 gaat een stroom van 3,1 A en door L2 een stroom van 3,9 A. Verwaarloos de weerstand van
de koperdraden.
224p
→ Bereken de spanning die in deze situatie over L1 staat.
In figuur 9 is de ophanging van lamp L1 nogmaals getekend.
figuur bij de opgave
De massa van lamp L1 is 140 g. Elk van beide koperdraden maakt een hoek α met de verticale lijn
door de lamp. De massa van de koperdraden wordt verwaarloosd.
234p
→ Bereken de spankracht in een stuk koperdraad tussen L1 en een kabel als hoek α gelijk is aan 35°.
Door de kogels naar beneden te trekken is de lamp omhoog te brengen naar een nieuwe
evenwichtsstand. De spankracht in het verticale deel van de koperdraad tussen een kogel en de kabel
is dan weer even groot als voorheen.
Bij het omhoogbrengen van de lamp wordt hoek α groter.
Daardoor wordt de spankracht in een koperdraad tussen L1 en een kabel groter. Deze spankracht is dus
wel veranderd.
243p
→ Leg uit hoe het mogelijk is dat, ook bij de hogere stand van de lamp, het geheel in rust blijft.

opgave 6Opgave 6 Zonsverduistering

De maan draait in een baan rond de aarde. We nemen aan dat deze baan cirkelvormig is, met de aarde
als middelpunt.
De snelheid van de maan in haar baan rond de aarde bedraagt 1,02 km/s. Gegevens over de straal van
de maanbaan en over de massa van de maan zijn te vinden in tabel 31 van het informatieboek Binas.
253p
→ Bereken de omlooptijd van de maan in haar baan rond de aarde.
263p
→ Bereken de kracht waarmee de aarde de maan aantrekt.
De afstand van de aarde tot de zon is 1,50 ⋅ 1011 m. Met behulp van een positieve lens met een
brandpuntsafstand van 200 cm wordt een scherp beeld van de zon geprojecteerd op een scherm. De
diameter van dit beeld van de zon blijkt 1,8 cm te zijn.
273p
→ Bereken hieruit de diameter van de zon.
Soms staat de maan tussen de aarde en de zon en dan treedt een zonsverduistering op. In het geval dat
de schijf van de maan de hele schijf van de zon bedekt, spreekt men van een totale zonsverduistering.
In figuur 10 is de situatie waarbij de zonsverduistering plaatsvindt, schematisch voorgesteld. De
verhoudingen van de onderlinge afstanden en diameter zijn in de figuur niet in overeenstemming met
de werkelijkheid.
figuur bij de opgave
Figuur 10 staat ook op de bijlage.
283p
→ Teken op de bijlage de stralen die het gebied op aarde bepalen waar een totale zonsverduistering te
zien is. Geef dat gebied met een pijltje aan.
Op plaatsen waar men een totale zonsverduistering waarneemt, is het niet helemaal donker. Er komt
daar dan nog licht dat afkomstig is van de gasvormige atmosfeer rondom de zon. Het spectrum van dit
licht bestaat uit een aantal lijnen. Eén van deze lijnen hoort bij een golflengte van 486 nm.
293p
→ Bereken de energie van fotonen van dit licht.
Bijlage:
figuur bij de opgave
Einde.